Factoren van onscherpte

De mogelijkheid om naar wens onscherpte in een beeld aan te brengen, is een van de kenmerken die alleen digitale camera's met verwisselbare lens en een grote beeldsensor kunnen bieden. Door de achtergrond en voorgrond van het onderwerp te vervagen, ziet het onderwerp er indrukwekkender uit.

Voor het bepalen van de mate van onscherpte zijn vier factoren van belang: diafragma (f-getal), brandpuntsafstand, scherpstelafstand en afstand tot de achtergrond. Door deze factoren met elkaar te combineren, kun je de gewenste mate van onscherpte instellen.

  1. F-getal: een kleiner getal zorgt voor meer onscherpte.
  2. Brandpuntsafstand: een grotere brandpuntsafstand zorgt voor meer onscherpte.
  3. Scherpstelafstand: een kortere afstand geeft meer onscherpte.
  4. Afstand tot de achtergrond: een grotere afstand zorgt voor meer onscherpte.

1. Diafragma (f-getal)

De status van het diafragma wordt aangeduid met een getal dat het f-getal wordt genoemd. Hoe kleiner het f-getal, des te groter de mate van onscherpte. Hoe groter het f-getal, des te kleiner de mate van onscherpte.

F-getal: 2.8F-getal: 16

Deze foto's werden genomen vanaf dezelfde positie maar met een andere instelling van het f-getal. Bij F2.8 is de rode glazen kraal scherp en zijn de voor- en achtergrond onscherp. Bij F16 is niet alleen de rode kraal scherp maar zijn ook de andere kralen op de voor- en achtergrond scherp.

2. Brandpuntsafstand

De mate van onscherpte wordt ook beinvloed door de brandpuntsafstand. De onscherpte wordt groter naarmate de brandpuntsafstand langer is en kleiner naarmate de brandpuntsafstand korter is. Als je een zoomlens gebruikt, kun je de mate van onscherpte vergroten door te fotograferen met de telezoom.

Brandpuntsafstand: 35 mmBrandpuntsafstand: 250 mm

De bovenstaande foto's werden gemaakt met dezelfde zoomlens, met respectievelijk 35 mm (groothoek) en 250 mm (telezoom). De fotograaf heeft de camera verplaatst, zodat de bloemen op de voorgrond in beide foto's dezelfde grootte hebben. Als er voldoende bewegingsruimte is (zoals in dit voorbeeld), kun je de achtergrond onscherp maken door iets meer afstand van het onderwerp te nemen en de foto te maken met de telezoom.

3. Scherpstelafstand (afstand tussen de camera en het onderwerp)

De hoeveelheid onscherpte wordt behalve door de camera-instellingen, zoals het diafragma en de brandpuntsafstand, ook bepaald door de afstand tussen de camera en het onderwerp. Achtergrondvervaging wordt groter naarmate je dichter met de camera naar het onderwerp toe gaat. Er is echter een limiet aan hoe dicht je bij het onderwerp kunt komen. De onderstaande foto's werden genomen terwijl alleen de scherpstelafstand was veranderd. Vergeleken met foto [1], die op een afstand van 150 cm van het onderwerp werd genomen, is een groter gebied van het beeld, behalve het scherpe gebied in beeld, onscherp in foto [2], die op een afstand van 50 cm werd genomen.

[1] *Genomen op een afstand van 150 cm van het onderwerp[2] Genomen op een afstand van 50 cm van het onderwerp

4. Afstand tussen het onderwerp en de achtergrond

Behalve de afstand tussen de camera en het onderwerp heeft ook de afstand tussen het onderwerp en de achtergrond invloed op de mate van onscherpte. Hoe verder de achtergrond zich van het onderwerp bevindt, des te groter de onscherpte. In de onderstaande foto's werd de lens rechts in beeld op verschillende posities in de achtergrond geplaatst om de mate van onscherpte te vergelijken.

Beide lenzen bevinden zich op dezelfde afstand van de camera. De lens aan de rechterkant is 15 cm naar achteren verplaatst. De lens aan de rechterkant is 30 cm naar achteren verplaatst.

De scherpstelling wordt vastgezet op de lens aan de linkerkant. Je kunt zien dat de achtergrond onscherper wordt naarmate deze verder is verwijderd van het brandpunt (waar het onderwerp zich bevindt). In situaties waarin het mogelijk is om objecten op de achtergrond te verplaatsen, bijvoorbeeld als je kleine objecten op een tafel fotografeert, kun je de mate van onscherpte naar wens aanpassen door het hoofdonderwerp en de objecten in de achtergrond te verplaatsen.

Deze vier factoren bepalen de mate van onscherpte. Je hoeft echter niet altijd al deze factoren te gebruiken om onscherpte aan te brengen. Afhankelijk van de omstandigheden kun je elke factor aanpassen om het gewenste onscherpte-effect te bewerkstelligen.